De oorsprong van de term 'vaktherapie'
20 mei 2026Onlangs kon je deelnemen aan onze jubileumquiz, ter ere van 20 jaar Vaktherapie Nederland. Een van de vragen was: wie bedacht eigenlijk de term vaktherapie? Dat bleek nog niet zo eenvoudig! Daarom nemen we je in dit artikel graag mee terug in de tijd en duiken we in het ontstaan van de naam vaktherapie. Toenmalig voorzitters Rene Benneker van de NVCT en Hans Delhaas van de NVPMT vertellen.

Afbeelding 1: Uit de jubileumquiz
Voor de oprichting van Vaktherapie Nederland (toen nog FVB) waren er twee beroepsverenigingen: de NVPMT (Nederlandse Vereniging voor Psychomotorische Therapie) en de NVCT (Nederlandse Vereniging van Creatief Therapeuten). Hieronder vielen beeldende therapie, danstherapie, dramatherapie en muziektherapie.
Hoe zag het landschap eruit in de jaren ’90 en ‘00?
Waar stonden de twee beroepsverenigingen? Rene Benneker vervulde verschillende bestuurlijke rollen binnen de NVCT in de periode voor het ontstaan van de federatie. Hij vertelt: “Eind jaren negentig ging het ontzettend slecht met de creatief therapeut. Ik kan me nog een beroemde ledenvergadering herinneren in Utrecht. Ik heb hier een speech gehouden en gezegd: halen we het jaar 2000 wel als vak?”
Waar zat dat ‘m in? “Je kunt het je nu haast niet voorstellen – en dat is de winst van de afgelopen 20 à 30 jaar – er was toen geen goede opleiding creatieve therapie. Het was bar en bar slecht.” Er was geen onderbouwing voor het vak en er kwamen weinig nieuwe therapeuten bij. “Dan sta je op het punt van omvallen.”
De psychomotorische therapeuten waren zich ook bewust van hun plek in het speelveld en werkten hard om die te behouden en uit te breiden.
Hans Delhaas heeft gewerkt als beleidsmedewerker voor de NVPMT en heeft jaren in het bestuur gezeten. Hij was voorzitter in de tijd dat de federatie ontstond. Hij vertelt over de master aan de faculteit bewegingswetenschappen van de VU en de commissie Rechtspositie van de NVPMT om de positie van de psychomotorische therapeut binnen de ggz te behouden en versterken. “Er was ook de keuze gemaakt om meer te gaan investeren in het op de kaart zetten van het beroep. Ik werd als beleidsmedewerker in dienst genomen om te werken aan de relaties met externe partijen zoals de overheid.” Bovendien speelt ook binnen de NVPMT de sterke behoefte aan meer inhoudelijke, wetenschappelijke onderbouwing van het vak.
Nieuw beleid in de maak
De meerderheid van alle creatieve therapeuten en psychomotorische therapeuten werkte in deze tijd in de ggz. En hier stonden veranderingen op stapel. Want eind jaren negentig werkte de overheid aan nieuw beleid voor de geestelijke gezondheidszorg (ggz).
“Er waren ontzettend veel beroepen in de ggz en ze claimden allemaal dat ze alles deden. Ook creatief therapeuten claimden: wij kunnen mensen genezen. Alleen die claim was nergens op gebaseerd”, aldus Rene Benneker. “En zo’n grote overlap is slecht voor de professionalisering van de verschillende beroepen.”
“Psychologen gingen bijvoorbeeld veel meer lichaamsgericht werken”, vertelt Hans Delhaas. In 2001 schreef hij in het maandblad voor de geestelijke Volksgezondheid: ‘blijf bij uw eigen leest’.
Visie op beroepen in de ggz
Trimbos Instituut voerde toendertijd in opdracht van het Coördinerend Orgaan Nascholing en Opleiding in de GGZ (CONO) verschillende onderzoeken uit. Het CONO was een politiek adviesorgaan dat rechtstreeks zaken deed met het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) op het terrein van opleidingsvraagstukken binnen de ggz.
Rene Benneker: “Trimbos heeft bekeken welke beroepen het binnen de ggz goed voor elkaar hebben. De creatief therapeuten kwamen hier tóch positief uit.” Samen met de psychomotorische therapeuten. “Waarom? We hadden een beroepsvereniging, een register, tuchtrecht, een beroepsprofiel en een opleiding.”
Afbeelding 2: Op verzoek van de minister bracht het Coördinerend Orgaan Nascholing en Opleiding in de GGZ (CONO) in 2000 een advies uit. In dit advies stelde het CONO voor om de psychomotorisch therapeut en de creatief therapeut samen te brengen onder één nieuwe naam: vaktherapeut. Ook werd de term vaktherapie geïntroduceerd. De minister van VWS nam dit advies in 2001 over in een beleidsbrief aan de Tweede Kamer. Daarmee zijn de woorden vaktherapie en vaktherapeut officieel geïntroduceerd.
Rene Benneker: “Daarna kwam de opdracht: breng nu eens wat orde in de beroepenstructuur in de ggz. Voor mensen van buiten, met name zorgverzekeraars en het ministerie was de ggz gewoon een black box. Met wie moeten ze praten, hoe zit het nu precies? En moet dat dan allemaal maar gefinancierd worden? Die discussie was er natuurlijk ook altijd.”
“Dus ze keken naar de beroepen die een aantal formele eisen goed voor elkaar hadden. Daar vielen de creatieve therapeuten en psychomotorische therapeuten onder. Voor de creatieve therapie was het eigenlijk een soort huls, want er was nog weinig echte inhoud. Ik denk dat de psychomotorische therapeuten het toen inhoudelijk veel beter voor elkaar hadden.”
De NVPMT had weliswaar een master en er werd onderzoek gepubliceerd maar hiermee was de koud niet af. “Onderzoek was nog in de beginfase. We konden niet zeggen: ‘het werkt’. We moesten het gaan aantonen.” Ook hier speelde de behoefte aan meer wetenschappelijk onderzoek.
‘We noemen ze vaktherapeuten’
Rene Benneker: “De inhoud was nog onder de maat. We werden wel erkend als een beroep in de geestelijke gezondheidszorg. En met die erkenning werd je toegelaten in de CONO. Ik ben de eerste jaren ook bij die vergaderingen geweest. Er was een groot statusverschil tussen ons en de psychologen en psychiaters, maar we zaten er nu wel bij en we mochten meepraten.”
De introductie van de termen vaktherapie en vaktherapeut hebben een impuls gegeven aan de professionalisering en er zijn nieuwe deuren opengegaan.
De behoefte aan meer structuur in beroepen binnen de ggz was hier de aanleiding voor. “Ze zeiden: hé, we hebben creatief therapeuten en we hebben psychomotorische therapeuten. Die doen vergelijkbare dingen. We noemen ze vaktherapeuten. Zo is de naam vaktherapeut ontstaan.”
**
Volgende keer lees je hoe de beroepsverenigingen omgingen met deze opgelegde term 'vaktherapie' en hoe de samenwerking vormkrijgt in de federatie die dit jaar 20 jaar bestaat: Vaktherapie Nederland.
Agenda
-
28 sep.
2-daagse nascholing 'Wat bezielt jou?' - Over de persoon van de therapeut en de therapeutische relatie.
-
-
06 okt.
2 daagse training: Polyvagaaltheorie en een Vaktherapeutische toepassing
-
-
01 dec.
2 daagse training: Polyvagaaltheorie en een Vaktherapeutische toepassing
-
Afbeelding 2: Op verzoek van de minister bracht het Coördinerend Orgaan Nascholing en Opleiding in de GGZ (CONO) in 2000 een advies uit. In dit advies stelde het CONO voor om de psychomotorisch therapeut en de creatief therapeut samen te brengen onder één nieuwe naam: vaktherapeut. Ook werd de term vaktherapie geïntroduceerd. De minister van VWS nam dit advies in 2001 over in een beleidsbrief aan de Tweede Kamer. Daarmee zijn de woorden vaktherapie en vaktherapeut officieel geïntroduceerd.